12.04.01 (3434) edit | Nederlands Dagblad | nieuws

Op 1 mei 1999 trad het Verdrag van Amsterdam officieel in werking. En, het moet gezegd, de nieuwe Europese Commissie heeft er geen gras over laten groeien. Binnen een halfjaar lag er een wetsvoorstel op tafel dat de openbaarheid van bestuur nader regelt.

Op dat wetsvoorstel valt nog wel het nodige aan te merken. Zij het dat het allemaal wat minder negatief is dan in het publieke debat van de afgelopen maanden en weken werd gesuggereerd. Belangrijkste opmerking in dat verband: het is onjuist te beweren dat de regeling zou uitgaan van een 'nee, tenzij'-beginsel inzake het openbaar maken van stukken.Punten en komma's

Maar goed, bij discussies over wetsvoorstellen gaat het over de theorie. En dan mag men eindeloos zeuren over de punten en komma's. Dan kan men inderdaad zeggen dat artikel 4 van het wetsvoorstel van de Europese Commissie nogal veel uitzonderingen formuleert op het beginsel van de openbaarheid van stukken.In de toelichting schrijft de Commissie heel onderkoeld: ,,Vergeleken met de huidige gedragscode, waarop de openbaarheid op dit moment is gebaseerd, worden die gronden wat nauwkeuriger omschreven''.

En daarmee raken we aan de huidige praktijk. In de Europese Unie is het beginsel van de openbaarheid al sinds het begin van de jaren negentig in ontwikkeling. Op een informele top in oktober 1992 in Birmingham werd een Verklaring inzake openbaarheid door de regeringsleiders vastgesteld. En daarop is een praktijk gebaseerd die nauwelijks reden tot klagen geeft.

Kinderziektes

Wie de internetsites van de Europese instellingen wat beter bekijkt, die zal dat ook merken. Natuurlijk, er waren de afgelopen jaren nog de nodige technische kinderziektes te overwinnen. Maar intussen is vrijwel alles waar men naar zoekt, ook op het internet te vinden. Dat geldt niet alleen de 'officiële' sites van de instellingen. Ook heel wat discussiemateriaal is via meer informele weg wel ergens op het internet te vinden.In dat opzicht lijkt het er een beetje op dat de discussie over de komende Europese wet openbaarheid van bestuur een beetje een discussie is om des keizers baard. In theorie valt er het nodige op aan te merken. In de praktijk is er weinig aan de hand.

Dat komt ook doordat er zoveel 'spelers' zijn in de arena van de Europese politiek. Er is altijd wel ergens een speler die, bij welk onderwerp dan ook, belang heeft bij openbaar maken van stukken.Gaat het om de besluitvorming in de Europese ministerraden, dan geldt dat ook een beetje. Formeel vergaderen en besluiten die achter gesloten deuren. Achteraf zijn er vijftien ministers, die vijftien persconferenties geven op een oppervlak van een paar tientallen vierkante meters in het gebouw van de Europese ministerraad in Brussel of Luxemburg. Binnen een uur na afloop weet iedereen precies wat er is besloten, wie dwars lagen en welke argumenten daarbij een rol speelden.

Schrik

Nee, met de openbaarheid van bestuur zit het op Europees vlak minder scheef dan men in theorie best kan volhouden. En dan blijkt in juli zomaar dat iedereen de schrik om het hart slaat. Secretaris-generaal Solana, formeel het loopjongetje van de ministers van buitenlandse zaken, dwingt geheimhouding af van stukken die te maken hebben met het nieuwe Europese defensiebeleid. Nederland speelt de rol van het beste jongetje van de klas en verzet zich.Merkwaardig. In de eerste plaats vanwege het onderwerp. Eigenlijk is het nergens erg omstreden dat zaken die de 'interne en externe veiligheid' betreffen, niet altijd in de volle openbaarheid kunnen worden uitgevochten. Ook in de Nederlandse Wet openbaarheid van bestuur is dat geformuleerd in de rubriek van uitzonderingen.

In de tweede plaats merkwaardig, omdat Nederland helemaal niet zo voorop liep bij dit onderwerp. Er mocht uiteindelijk met liberale tegenzin van het kabinet wel gewerkt gaan worden aan een Europees defensiebeleid. Maar dat moest dan echt in nauwe samenwerking gebeuren met de NAVO.Daar kan men van vinden wat men wil. De NAVO is een heel nuttige instelling gebleken. Maar het gehalte aan democratie en openbaarheid bleek nooit heel groot. Dat is ook begrijpelijk, gezien de aard van de activiteiten van het westers bondgenootschap.

Maar dat Nederland dan nu zoveel kritiek uitoefent op het streven van Javier Solana, die samenwerking met de NAVO concreet vorm te geven, valt dan niet zo goed te begrijpen. Immers, wie met de NAVO samenwerkt, weet van tevoren dat men zal moeten inleveren op het beginsel van de openbaarheid. Dat hadden de ministers Van Aartsen en De Grave dan maar vorig najaar moeten bedenken.

Mistroostig

Nu kan men zeggen, dat het beginsel van de openbaarheid van bestuur zo zwaar moet wegen, dat het kabinet daar wel voor moet vechten. Wie dat overweegt, komt al snel bij de wat mistroostige constatering uit dat het in ons land precies omgekeerd is als in de Europese Unie.Het ontstaan in de jaren zeventig van de vorige eeuw van de Wet openbaarheid van bestuur ging nog heel wat moeizamer dan nu het debat verloopt over de Euro-WOB. In Nederland deugt sinds de wet van 1980 misschien de theorie.

Maar in de praktijk werden de uitzonderingsgronden al twintig jaar met hand en tand verdedigd en zo ruim mogelijk uitgelegd. Daardoor ontstond vorig najaar ook dat bizarre debat over het openbaar maken van de bonnetjes van bewindslieden. En wat bleek: in de Tweede Kamer opperden vooraanstaande leden als VVD-leider Dijkstal, dat we dan maar wat meer moesten inleveren op het beginsel van de openbaarheid.Zie hier de balans van de omgekeerde evenredigheid: in Nederland deugt de theorie, maar blijkt de praktijk eindeloos moeizaam. In de Europese Unie moet de theorie nog kloppend worden gemaakt, maar is de openbaarheid in de praktijk al veel verder voortgeschreden dan het wat negatieve debat van de afgelopen weken suggereert.

ND

Reacties

Geef een reactie




Remember Me?

(you may use HTML tags for style)