11.04.02 (3425) edit | Nederlands Dagblad | nieuws

Het hoofdrapport - in drie banden - valt uiteen in vier delen; het Joegoslavische probleem 1991-1994, Dutchbat en de enclave, de val van de enclave en de nasleep van de val. Het onderzoek betreft de gebeurtenissen tot eind 1995, al worden latere onderzoeken naar politiek gevoelige incidenten (fotorolletje, ijzeren voorraad, overrijden burgers, uitlatingen Karremans, gedrag militairen en debriefingscrisis) wel meegenomen. ,,Het is een historisch, dus chronologisch verhaal, met thematische tussenhoofdstukken'', aldus prof. dr. J.H.C. Blom.

Het onderzoek zelf kenmerkte zich tot een opmerkelijke en problematische combinatie van overvloed en schaarste. Overvloed was er in de overheidspublicaties, de literatuur en de media. Die laatsten waren in drie opzichten belangrijk: als bron van ooggetuigemateriaal, als analyseerders van het conflict en als opinieerders en politiseerders van de nasleep.

De schaarste aan bronnen had ook drie oorzaken, stelt de Proloog van het rapport: opzettelijk laten verdwijnen of achterhouden van bronnenmateriaal, het ongwild verloren gaan ervan of het wegraken en regulier vernietigen van archieven.

Al in Nederland stuitte het NIOD op de 'lage prioriteit van archiveren'. Een politiek probleem waren de notulen van de ministerraad. Blom kreeg de originele versies te zien en bij het onderzoek mochten 'geobjectiveerde' weergaven worden gebruikt, waarbij niet meer duidelijk was welke minister wat had gezegd.

Een andere hobbel was het leger; de persoonlijke levenssfeer van Dutchbatters en de identiteit van informanten van BVD en MID diende te worden afgeschermd. Een deel van de blauwhelmen weigerde de eigen debriefingsverklaring te laten inzien en wilde ook geen gesprek. Koppeling van de ervaringen van Dutchbatters met verslagen over oorlogsmisdaden die het NIOD van het Joegoslavië-Tribunaal kreeg, wees Defensie echter af.

Het NIOD hoorde haar gesprekspartners niet onder ede. Dat mocht niet en was zelfs niet wenselijk, aldus Blom. Het zou dan teveel een verhoor zijn geworden. Het NIOD streefde naar een ,,ruimer, completer beeld'' en daarbij was de voorkennis en de kwaliteit van de vragen belangrijker dan het horen onder ede. Bovendien leidt een openbaar verhoor tot druk van de publicititeit en snelle schuldtoewijzing en dat zou de mededeelzaamheid van de bevraagden niet hebben bevorderd.

Buitenlandse argwaanIn het buitenland stuitte het NIOD op grotere problemen informatie, documenten en gesprekken te krijgen. Soms was dat door desinteresse, 'Srebrenica' was daar immers geen politieke affaire geworden, maar soms ook uit argwaan of beduchtheid voor verdere politiek implicaties. Daarom hanteerde het NIOD een tweesporenbeleid; beoogde informatieverstrekkers werden of direct of met hulp van de Nederlandse diplomatie benaderd.De resultaten liepen uiteen. De VN bleken toeschietelijk nadat ze ook zelf een onderzoek hadden gestart (afgerond in 2001) en gaven inzage in het geheime codeverkeer. Canada gaf superieure steun. De VS wezen archiefonderzoek af, maar stonden gesprekken toe. Door de harde WOB-wetgeving in de VS kon toch veel boven water worden gehaald.

De Franse regering ,,bleek in de praktijk nauwelijks tot enige medewerking bereid''. De geheime verslagen van de Franse parlementaire commissie (haar rapport verscheen ook in 2001) kwamen wel ter beschikking, maar interviews waren er mondjesmaat en de antwoorden ultrakort. De Britse regering verbood gesprekken met militairen in actieve dienst.

Moeizaam SrpskaIn (ex-)Joegoslavië verliep het onderzoek moeizaam; het NIOD werd vooral in de Republika Srpska geassocieerd met het Joegoslavië-Tribunaal en kwamen vaak Bosnisch-Servië helemaal niet in. Eind 2001 kwamen wel documenten en mensen vrij vanuit de in Belgrado opgerichte Waarheids- en Verzoeningscommissie.

Personen die weigerden met het NIOD in contact te treden waren naast Mladic, Karadzic en de Franse VN-commandant generaal Janvier ook zijn collega Morillon; dat is opvallend, want in maart 1993 riep hij in Srebrenica op eigen houtje de safe haven uit, waardoor de politiek wel moest meegaan. De Franse legertop werkte wel mee aan het lichte parlementaire palaver in eigen land en orakelden vrijuit in de pers; dat vond Blom 'pijnlijk en schrijnend'.

(11 april 2002)

ND

Reacties

Geef een reactie




Remember Me?

(you may use HTML tags for style)