31.05.02 (11134) edit | Laura Schweig

Nederlandse journalisten stonden ruim twintig jaar geleden niet te trappelen om gebruik te maken van de op 1 mei 1980 ingevoerde Wet openbaarheid van bestuur (Wob). De onderzoekers, die voor de evaluatiecommissie Wet Openbaarheid in 1981 onder gebruikersgroepen een opiniepeiling hielden, constateerden: ‘Van met name de journalistenzijde wordt vernomen, dat men (…) liever een alternatief, informeel contact zal aanboren. Dat gaat waarschijnlijk sneller en men verspeelt geen goodwill.’

Inmiddels zijn we twee decennia verder en de Wob geniet grote populariteit. Helaas worden geen statistieken bijgehouden, maar volgens deskundigen is met name de laatste zeven jaar een enorme stijging te zien geweest. Ingeluid door de val van Srebrenica, waar de journalistiek zich destijds massaal op heeft gestort. Ook de bonnetjesaffaire rond Bram Peper diende als katalysator: de media dachten dat Peper niet de enige zou zijn die af en toe in de kas graaide en begonnen ook andere bewindslieden te bestoken.

Onprettig instrument

Is dit echter wel de manier om met de Wob om te gaan? Onder de meeste journalisten heerst de mening dat terughoudend met de wet moet worden omgesprongen. Allereerst is het simpelweg een onprettig instrument. De procedure is lang en het resultaat is niet altijd bevredigend. Het is sowieso altijd beter om eerst informele contacten aan te boren en de Wob te gebruiken als eventuele life-line.

Behalve de juridische kant van de zaak zit er echter ook nog een persoonlijk aspect aan het ‘wobben’. Zorgvuldig opgebouwde relaties met contactpersonen binnen een bestuursorgaan – bijvoorbeeld met voorlichters – kunnen verstoord raken op het moment dat de relatie ‘geformaliseerd’ wordt. In het ergste geval krijgt de journalist een boycot voor zijn kiezen, bijvoorbeeld in de vorm van uitsluiting van persconferenties.

Veel journalisten zijn zich bewust van dit risico en toch trekken weinige zich er iets van aan. Terecht. Een daadwerkelijke boycot zal niet zo snel plaatsvinden. Er moeten hele rare dingen aan de hand zijn wil een overheidsorgaan een journalist buiten de deur proberen te houden. De organisatie schendt ten eerste het beginsel van persvrijheid en bovendien wil elke organisatie graag bekend staan als open. Ondanks dat kleeft er wel degelijk een irritatiefactor aan de Wob.

Journalistieke motief

Een aspect dat bij veel overheidsfunctionarissen zwaar telt – niet juridisch maar in het algemeen - is het motief van de indiener. Een vette primeur halen, snel scoren, of uit een bepaalde vooringenomenheid - een complottheorie - de overheid onderuit halen: verkeerd motief. Lukraak ‘wobben’ omdat er wel eens iets leuks uit zou kunnen komen, zonder dat daarvoor een gegrond vermoeden bestaat, valt ook niet in goede aarde. ‘Een vliegende kraai vangt altijd wat’, zegt Financiën-woordvoerder Jeroen Sprenger. ‘Journalisten vallen te snel in de val van hypevorming.’ De toenemende scoringsdrift in de journalistiek zorgt er in zijn ogen voor dat journalisten de Wob op een oneigenlijke manier gebruiken.

Onderzoeksjournalisten die de Wob inzetten worden door veel voorlichters daarom hoger gewaardeerd dan hun ‘onderwerp-hoppende’ collega’s, omdat zij een stevigere en langduriger relatie met de betreffende organisatie hebben en bovendien meer kennis van zaken. Een onderzoeksjournalist laat zich minder leiden door de waan van de dag en maakt daarom op gepastere wijze gebruik van de Wob. Voor de juridische beoordeling maakt het overigens niets uit: een ‘verkeerd motief’ is niet in de Wob opgenomen als weigeringsgrond.

Ongenoegen bij overheid

Sommige verzoeken zijn door hun omvang een bron van ergernis. Geregeld krijgt men bij de overheid een verzoek om ‘alle documenten met betrekking tot dit of dat uit de periode 19zoveel tot heden.’ Nova bijvoorbeeld diende in 1999 drie verzoeken in bij het ministerie van Defensie en vroeg daarbij – globaal - om alle stukken met betrekking tot rechts-extremisme in de krijgsmacht van 1989 tot 1999. Maar liefst zevenhonderd manuren waren er nodig om Nova een stapel papier te kunnen bezorgen. Uiteraard is het ieders goed recht dit soort verzoeken te doen – de Wob stelt immers geen maximum – maar daarvoor is de wet in beginsel niet bedoeld.

Gevoelens van ongenoegen bij de overheid leiden desondanks zelden daadwerkelijk tot een echt verstoorde relatie. Dat heeft vooral te maken met de veranderde instelling van overheidsorganisaties. In de jaren tachtig heerste onder ambtenaren nog grote weerzin tegen de wet. Wob-verzoeken werden beschouwd als een extra last boven op de dagelijkse werkzaamheden. Dat is nu nauwelijks meer zo.

Vooral voorlichters en Wob-juristen zijn in grote mate bereid de wet zo goed mogelijk uit te voeren. In hun ogen is de Wob – behalve wellicht in bovengenoemde gevallen - geen blok aan het been, maar een recht in handen van de burger om kennis te nemen van overheidsinformatie. Voor de overige ambtenaren geldt dit overigens vaak minder. Zij zijn immers degenen die de stukken opstellen en ze, in het geval van een verzoek om informatie, uit handen moeten geven. Anderzijds gebruiken zij de wet ook wel als elegante manier om te lekken door een journalist te adviseren op bepaalde documenten te ‘wobben’.

Knokken voor je zaak

Een van de bekendste ‘wobbers’ in ons land is freelance journalist Dick Berts. Hij bestookt voornamelijk het ministerie van Defensie met – in hun ogen niet altijd even zinnige - Wob-verzoeken. ‘Zonder openbaarheid van bestuur is democratie een lege huls’, vindt Berts. Vanuit die gedachte ‘wobt’ hij op alles waarvan hij vindt dat er een luchtje aan zit. De relatie tussen Berts en Defensie is inmiddels zwaar beschadigd, daar zijn Berts en Defensie het in ieder geval wél over eens. Zijn reputatie brengt met zich mee dat Berts van Defensie niet de mate van medewerking krijgt die zijn collega’s wel krijgen. Ze leggen hem geen strobreed in de weg, maar zullen niet voor hem rennen.

Berts kan zich hier overigens niet over opwinden. Hij hoeft geen vrienden te zijn met Defensie om de waarheid boven water te krijgen. Waar hij zich wel over opwindt is de voortschrijdende luiheid onder journalisten. ‘Het type vechtjournalist is uitgestorven’, zegt Berts. ‘Je moet redelijk blijven en recht door zee, en je moet bedenken dat je de overheid met veel werk opzadelt, maar je moet wel durven knokken.’

Juridisch wapenen

Of ze bij Defensie ook vinden dat Berts aan deze voorwaarden voldoet is een tweede, maar hij heeft hier wel een punt. De Wob is er onder andere voor bedoeld het openbaar bestuur doorzichtiger te maken voor de burger. De pers moet het eerder zien als zijn taak dan als zijn recht om hiervan gebruik te maken. Echter de manier waarop en de redenen waarom de Wob tegenwoordig vaak wordt ingezet zal op termijn tot gevolg hebben dat de wet aan zijn eigen succes ten onder gaat. Het is uiteraard niet de taak van de journalistiek om de ambtenarij happy te houden, maar op deze manier gaan overheden zich juridisch steeds beter wapenen en wordt het steeds moeilijker via de Wob informatie boven water te krijgen.

Hoewel de Wob zich dus na twintig jaar goed heeft genesteld in het instrumentarium van de journalistiek en in het takenpakket van de overheid, is terughoudendheid nog steeds geboden. De Wob wordt te vaak onnodig en op oneigenlijke wijze ingezet. Bij de gevolgen daarvan is de journalistiek niet gebaat.

Door Laura Schweig
Bron: De Journalist

Laura Schweig is bij de opleiding journalistiek in Groningen afgestudeerd op journalistieke Wob-verzoeken. Haar afstudeerscriptie wordt in de komende maanden deel voor deel online gezet.

Reacties

Geef een reactie




Remember Me?

(you may use HTML tags for style)