4.10.02 (11118) edit | Michel van Hulten

Voorbeelden van machtsbederf zijn nepotisme: het iemand voordelen toebedelen (baan, opdracht e.d.) vanwege familie- of vriendschapsbanden, of patronage: de bevoordeling vanwege (partij)politieke verwantschap. Voorts campagnefraude: er worden bijdragen gegeven en aanvaard voor verkiezingscampagnes, in ruil voor invloed op het beleid (zie de grote sommen geld die sommige aanhangers van LPF in deze partij hebben geïnvesteerd), en stemmen kopen: de politicus of partij bevoordeelt groepen of regio's om stemmen te winnen (een van de grootste problemen voor voorstanders van het districtenstelsel).

Het positieve begrip ‘integriteit’ heeft het in beleidsdiscussies en in het nastreven van gewenst gedrag van ambtenaren en politici gewonnen van het negatieve begrip ‘corruptie’. Integer klinkt vriendelijker dan corrupt. Opmerkelijk is ook dat nu openlijk gesproken wordt over betalingen aan ‘de politiek’ die voorheen onbesproken bleven. Onbeschaamd etaleren sommigen hun grote bijdragen aan recente verkiezingscampagnes, of geven even onbeschaamd toe dat het vroeger niet anders was. Zie bijvoorbeeld de recente erkenning (bekentenis?) van Hans Wiegel dat een paginagrote laatste-dag-advertentie voor de verkiezingen in 1972, bedoeld om kiezers op te roepen op de VVD en op Wiegel te stemmen, grotendeels door reclamemensen van Heineken geschreven was. Die advertentie kostte twee ton. Of met die bijdrage ook direct invloed werd ‘gekocht’ (corruptie dus) is niet aangetoond. Ook niet of dit wel bedoeld was. Maar ook al is het geen corruptie, toch is het een verkeerde zaak als het grote geld de politiek zou kunnen gaan regeren (sommigen zeggen dat dit in elk geval ook nu reeds toch al het geval is. Mijn reactie hierop is, dat zelfs als dit waar is, we het dan niet met open ogen nog erger moeten laten worden).

Het is voor mij nog maar de vraag (1) of de aandachtsverschuiving van corruptie naar integriteit wenselijk is. Komen corrupte gezagsdragers er dan niet te gemakkelijk vanaf? Op corruptie staat straf; met integriteit verdien je een compliment, een schouderklopje, en op zijn best een lintje voor gedrag dat eigenlijk normaal zou moeten zijn. Over integriteit is overigens welhaast even weinig bekend als over corruptie. De VU-hoogleraren Van den Heuvel en Huberts schrijven: ‘het aantal beschouwingen over moraal is omgekeerd evenredig aan de omvang van empirisch onderzoek’. Zij hebben zelf wel een interessante empirische studie gedaan naar normen en waarden gekoesterd door ambtenaren en politici (naar eigen inschatting en van elkaar). En wat blijkt? Politici vinden eerlijkheid het belangrijkst voor het eigen functioneren, op enige afstand gevolgd door onkreukbaarheid en openheid, terwijl ook onafhankelijkheid en deskundigheid een tamelijk prominente rol spelen. Ambtenaren beschouwen deskundigheid als verreweg de belangrijkste waarde voor het eigen functioneren, gevolgd door eerlijkheid, doelmatigheid, rechtmatigheid, dienstbaarheid en toewijding. Het zelfbeeld van politici en ambtenaren is geconfronteerd met het beeld dat de twee categorieën van elkaar hebben. Ambtenaren vinden dat politici zich al te zeer op de borst kloppen voor hun onafhankelijkheid en eerlijkheid en dat ze de betekenis van aanvaardbaarheid en onkreukbaarheid te laag schatten. Politici op hun beurt relativeren het belang dat ambtenaren aan eerlijkheid, onafhankelijkheid, openheid en collegialiteit hechten; ze leggen meer de nadruk op dienstbaarheid, rechtmatigheid en onkreukbaarheid.(2) ‘Eerlijkheid’ tegenover ‘deskundigheid’! Ik denk dat in de ogen van het brede publiek op beide veronderstelde kwaliteiten nog al wat is af te dingen.

Integriteit van personen, instituties en regels omvat in positieve zin een hele serie van abstracte en elkaar soms overlappende begrippen als rechtschapenheid, openheid, eerlijkheid, onberispelijkheid, onschendbaarheid, onkreukbaarheid , zorgvuldigheid, zuiverheid, goede trouw, betrouwbaarheid, geloofwaardigheid en helderheid over eigen motieven en waarden. Al deze karakteristieken kunnen in velerlei omstandigheden ons handelen afstemmen op geschreven en ongeschreven waarden en normen die uitdrukking geven aan de hiervoor genoemde begrippen.

Omgekeerd kan een tekort aan integriteit worden omschreven als het oneigenlijk of onrechtmatig gebruik maken van positie, kennis, macht, relaties of bevoegdheden ten behoeve van zichzelf of derden.
Integer gedrag wordt van iedereen verwacht in alle levensomstandigheden, thuis en op het werk, in de winkel en op het sportveld, in eigen land en in het buitenland, in het verkeer op de weg en in de trein. Het gaat ons met name om bestuurlijke integriteit: de integriteit in de relaties tussen het openbaar bestuur en bestuurders en hun burgers, en om de vraag of door betrokkenen steeds en overal naar eer en geweten het publieke belang wordt gediend.
De Raad voor het Binnenlands Bestuur stelde in 1996 vast ‘dat er sprake is van een toegenomen twijfel aan of onzekerheid over de bestuurlijke integriteit’, ook al concludeerde men tevens ‘dat er nog weinig bekend is over achtergronden, aard en omvang’. Dit - in elk geval vermeende - tekort aan integriteit van het openbaar bestuur heeft met name in het laatste decennium geleid tot een veelheid van acties en initiatieven op lokaal, provinciaal en (inter)nationaal niveau. Daarin past ook de aandacht voor de bouwfraude.

Het in stand houden en bevorderen van integriteit in het openbaar bestuur is niet alleen afhankelijk van wet- en regelgeving. Het is ook afhankelijk van de algemene levenshouding in de maatschappij, die bepalend is voor de wijze waarop burgers en overheidsdienaren met elkaar en met die wet- en regelgeving omgaan. Waarden en normen die algemeen aanvaard worden zijn hiervoor van beslissende betekenis.
Hier ligt tegelijk een groot probleem, namelijk dat voor verschillende samenstellende delen van onze bevolking verschillende waarden en normen gelden en dat er toch zoiets als een nationale consensus moet bestaan om samen te kunnen leven, wonen, werken en recreëren. Dat geldt voor jongeren en ouderen, mannen en vrouwen, autochtonen en allochtonen, christenen, moslims, hindoes, humanisten en heidenen, Nederlanders en buitenlanders, werkenden en niet-werkenden. Kortom: integriteit is geen gemakkelijk begrip.

(1) Zie ook mijn Corruptie, onbekend, onbemind, alomtegenwoordig, Boom, Amsterdam, 2002 (midden november), ISBN 90 5352 854 7.
(2) Prof.dr. J.H.J. van den Heuvel, prof.dr. L.W.J.C.Huberts en drs. S.Verberk, Het morele gezicht van de overheid, waarden, normen en beleid, Lemma Utrecht, 2002, Lemma, infodesk@lemma.nl.

Bron: Michel van Hulten - Integriteit I

Reacties

Geef een reactie




Remember Me?

(you may use HTML tags for style)