10.05.05 (3553) edit | Itai Mol | TC/Tubantia | nieuws

De media zijn lui, vinden politiewoordvoerders. En dat zijn nog de milde voorlichters. Meer cynische collega’s omschrijven journalisten als ratten. Omgekeerd is het beeld niet veel beter. De pers ziet politievoorlichters als wasmiddelenverkopers, die slechts oog hebben voor het imago van hun organisatie.

De verhoudingen zijn verstoord, blijkt uit gisteren gepresenteerd onderzoek van hoogleraren Henri Beunders (Erasmus Universiteit Rotterdam) en Erwin Muller (Universiteit Leiden) naar de relatie tussen politie en media. De betrokken instellingen hebben zich ingegraven. Normale contacten ontbreken. Informatievoorziening gebeurt over het algemeen via summiere persberichten. Het gevolg is dat krantenlezers en televisiekijkers wel van incidenten horen, maar verstoken blijven van waardevolle achtergrondinformatie.

In eerste instantie lijkt het mediabeleid van de politie te lonen. Uit een analyse van twee landelijke kranten, De Telegraaf en NRC Handelsblad, blijkt dat bij bijna de helft van de verhalen de politie zelf de bron is. Een groot deel van die verhalen is positief van toon (‘politie doet wapenvangst’) of neutraal (‘politie onderzoekt ongeluk’), slechts een kwart is negatief (‘agent verdacht van fraude’).

Maar het is een pyrrusoverwinning, waarschuwt Beunders. Want zodra er een persoonlijke affaire losbreekt, bijvoorbeeld als een korpschef te hard rijdt of een te groot huis betrekt, barst er direct een mediaspektakel los en verliest de politie de regie. Beunders. ‘Er is geen buffer van oude vertrouwde communicatiekanalen, zoals even kunnen bellen of afspreken voor een achtergrondgesprek. Daardoor kunnen emoties de boventoon gaan voeren en raken feiten en context ondergesneeuwd.’

De geslotenheid van het politieapparaat is niet alleen de politie aan te rekenen. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft een richtlijn opgesteld over de informatie die over lopende zaken mag worden gegeven, waar ook de politie zich aan te houden heeft. Die richtlijnen gaan volgens Beunders te veel uit van het recht op privacy van slachtoffers en daders, en te weinig van de wet over de openbaarheid van bestuur.

Zo werd begin dit jaar in Amsterdam een tasjesdief van Marokkaanse afkomst doodgereden. Door een Surinaamse vrouw, maar dat werd door de politie niet naar buiten gebracht. Beunders: ‘De politie mag geen uitspraken doen over ras, afkomst of geloof. Maar in dit geval was het wel degelijk van belang. Nu werd het incident door het publiek in de context van de tegenstellingen tussen autochtone Nederlanders en moslims uitgelegd. De burger krijgt geen goed inzicht in het waarom van het handelen.’

Een schuldige voor de verstoorde relatie tussen de media en de politie willen de onderzoekers niet aanwijzen. De politie is te gesloten, maar de journalistiek geeft daar soms ook aanleiding toe, zegt Beunders. ‘In journalistieke kringen, en ik ben zelf ook journalist geweest, is het al jaren gebruikelijk om af te geven op voorlichters. Dat is een van de redenen dat de voorlichters zich hebben ingegraven.’

Het is in het belang van de maatschappij dat politiewoordvoerders en journalisten de weg terug vinden, stellen Beunders en Muller. Ze vinden dat er soepelere richtlijnen van het OM nodig zijn, en dat politie en pers weer met elkaar om tafel moeten gaan zitten om afspraken te maken. Beunders: ‘Het zal altijd een verstandshuwelijk blijven, politie en journalisten hebben soms tegengestelde belangen. Maar het wantrouwen dat nu heerst is niet nodig.’

Door Itai Mol
Bron: TC/Tubantia

Reacties

Geef een reactie




Remember Me?

(you may use HTML tags for style)