17.11.05 (11250) edit | jurov.nl | rechtelijke uitspraken

1. ABRvS: Artikel 25 Gem.wet geeft een uitputtende regeling inzake openbaarmaking en geheimhouding

2. ABRvS: Voorzitter politieke partij geen belanghebbende bij geheimhoudingsbeslissing ex art. 25 Gem.wet

ABRvS: Artikel 25 Gem.wet geeft een uitputtende regeling inzake openbaarmaking en geheimhouding

Casus

Bij besluit van 4 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Emmen (hierna: het college) een verzoek van appellant om verstrekking van documenten met financiële stukken, waaronder kwartaalrapportages, van de Betaald Voetbal Organisatie Emmen gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 10 juni 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar, voor zover betrekking hebbende op stukken inzake de borgstelling, die inmiddels zijn openbaar gemaakt, gegrond verklaard en het bewaar overigens ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 januari 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Afdeling overweegt op 26 oktober (zaaknr. 200501784/1) als volgt:

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Gemeentewet kan de raad op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob), omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de raad worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat de raad haar opheft.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wob, de geheimhouding eveneens worden opgelegd door het college, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de raad of aan leden van de raad overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. Ingevolge het derde lid, voorzover thans van belang, vervalt de krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan de raad overgelegde stukken, indien de oplegging niet door de raad in zijn eerstvolgende vergadering wordt bekrachtigd. Ingevolge het vierde lid, voorzover thans van belang, wordt de krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan leden van de raad overgelegde stukken in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel, indien het stuk waaromtrent geheimhouding is opgelegd aan de raad is voorgelegd, totdat de raad haar opheft.

Ingevolge artikel 2 van de Wob verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij de wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet. Appellant heeft zich ter verkrijging van de stukken beroepen op de Wob. Het college heeft de afwijzing van appellants verzoek, voorzover thans nog van belang, in bezwaar gehandhaafd, omdat ten aanzien van de gevraagde stukken door het college met toepassing van artikel 25, tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding was opgelegd en deze geheimhoudingsverplichting vervolgens door de raad is bekrachtigd. Aan toetsing van het verzoek aan de Wob is het college niet toegekomen, aangezien het zich op het standpunt heeft gesteld dat artikel 25 van de Gemeentewet een uitputtende regeling inzake openbaarmaking en geheimhouding bevat die als bijzondere regeling voorrang heeft boven de Wob.

De rechtbank heeft dit standpunt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2002 in zaak no. 200105660/1 (JB 2002/320), met juistheid onderschreven. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de opgelegde geheimhoudingsplicht ten tijde hier in geding nog immer niet was opgeheven, zodat het verzoek van appellant moest worden afgewezen.

Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


ABRvS: Voorzitter politieke partij geen belanghebbende bij geheimhoudingsbeslissing ex art. 25 Gem.wet

Casus

Bij besluit van 10 maart 2003, medegedeeld bij brief van 6 mei 2003, heeft het college van burgemeester en wethouders van Emmen (hierna: het college) met toepassing van artikel 25, tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding opgelegd inzake het tussentijds verslag van het tweede halfjaar 2002 van de Betaald Voetbal Organisatie Emmen (hierna: de BVO), de bevindingen van het accountantskantoor Van Dijk & Ter Mors en de reactie van de BVO hierop. Op 27 maart 2003 heeft de gemeenteraad van Emmen de opgelegde geheimhoudingsverplichting bekrachtigd.

Bij besluit van 28 oktober 2003 heeft het college het door appellant tegen het besluit van 10 maart 2003 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 20 januari 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Afdeling overweegt op 26 oktober (zaaknr. 200501785/1) als volgt:

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Gemeentewet kan de raad op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob), omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de raad worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat de raad haar opheft.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wob, de geheimhouding eveneens worden opgelegd door het college, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de raad of aan leden van de raad overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt.

Ingevolge het derde lid vervalt de krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot de aan de raad overgelegde stukken, indien de oplegging niet door de raad in zijn eerstvolgende vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd.

Ingevolge het vierde lid wordt de krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan leden van de raad overgelegde stukken in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel, indien het stuk waaromtrent geheimhouding is opgelegd aan de raad is voorgelegd, totdat de raad haar opheft. De raad kan deze beslissing alleen nemen in een vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht.

Appellant is voorzitter van een in de gemeenteraad van Emmen vertegenwoordigde politieke partij en zelf geen raadslid. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het besluit tot opleggen van geheimhouding primair tot gemeenteraadsleden is gericht en voor hen rechtsgevolgen heeft. Appellants belang is hierbij volgens het college niet rechtstreeks betrokken. Daarom heeft het college zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

De Afdeling sluit niet uit dat er, behalve gemeenteraadsleden en anderen op wie de geheimhoudingsplicht is komen te rusten, personen zijn, die een zodanige betrokkenheid kunnen hebben bij stukken ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd, dat zij door het geheimhoudingsbesluit rechtstreeks in hun belangen worden geraakt.

Van een dergelijke betrokkenheid is in het geval van appellant evenwel niet gebleken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant zich met betrekking tot het belang van openbaarheid van de stukken niet onderscheidt van ieder ander en dat de omstandigheid dat hij voorzitter is van een politieke partij eveneens onvoldoende onderscheidend is om aan te nemen dat appellant een specifiek belang heeft bij het besluit. De rechtbank is met juistheid tot de conclusie gekomen dat het college het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Jurov.nl

Reacties

Geef een reactie




Remember Me?

(you may use HTML tags for style)